Grote of Maria Magdalenakerk
De Grote kerk, gewijd aan de heilige Maria Magdalena, onderging vele uitbreidingen, brandde in 1618 grotendeels af, maar verrees daarna weer in volle glorie. Tegenwoordig is het een van de belangrijkste monumenten van Goes welke een centrale rol speelt in het culturele leven in de stad.
Begin
Rond 1150 ondergaat het Zeeuwse landschap een grote verandering. Op Zuid-Beveland worden grote gebieden bedijkt, en ongeveer tegelijkertijd ontstaan hier de eerste parochies (kerkgemeenschappen) waaronder die van Goes, Kloetinge en Wissekerke. De parochies staan op grondgebied van de Noordmonsterparochie.
Bij de kreek Goes heeft zich dan al een dorpskerk ontwikkeld. Hier komt de kerk te staan: een zaalkerkje van 10 bij 25 meter. De kerk is dan uiteraard nog katholiek, en heeft een hoofdaltaar gewijd aan de Maagd Maria en Maria Magdalena. Over het bouwmateriaal of de vorm is niets bekend, maar de kerken op Zuid-Beveland hebben in deze periode nog geen torens. Rond de kerk ligt een kerkring met een diameter van ongeveer zeventig tot tachtig meter. Hierin komt het kerkhof te liggen. Rondom de kerkring ontstaan een weg waaraan huizen gebouwd worden.
We weten dat de Grote Kerk gewijd is aan Maria Magdalena, maar wanneer dat precies gebeurde, is niet bekend. Deze heilige vormt een belangrijk symbool voor Goes: Maria Magdalena is ook de schutspatrones van de stad. Volgens het Evangelie van Lucas was ze afkomstig uit Magdala, een vissersdorp aan de westelijke oever van het meer van Tiberias. Vele verhalen worden over haar verteld. Zo zou zij een prostitué zijn geweest en met Jezus getrouwd. Men meent dat zij ook de eerste vrouw was, die op de Paasmorgen naar het graf van Jezus ging.
Dat er in Goes gekozen is voor Maria Magdalena, is vrij uniek. Bijna alle middeleeuwse kerkgebouwen op Zuid-Beveland hebben een mannelijke heilige als patroon, zoals Sint Nicolaas.
De twee grote eikenhouten deuren waardoor je de Grote of Maria Magdalenakerk kunt binnenstappen ogen niet meteen monumentaal. Stap je binnen, dan vraag je je af waar je bent beland. Een donkere ruimte, met drie deuren en enkele raampjes waardoor niet al te veel licht binnenvalt. Maar stap je door een van de deuren de kerk in, dan is de aanblik onmiddellijk heel anders. Een zee van ruimte biedt zich aan en die is het mooist wanneer de zon naar binnen schijnt. In de verte glorieert het orgel, een instrument dat in de top tien van Nederland staat.


Interieur van de Grote of Maria Magdalenakerk, ca. 1780
Het schip
Het eerste gedeelte van de kerk, het schip, heet in de volksmond de wandelkerk. In de katholieke periode, die eindigde in 1578 toen het gebouw overging in protestantse handen, maakte het schip gewoon deel uit van het gehele kerkgebouw. Het was lager dan het koor, maar wel breder. Dat veranderde in 1618 toen het schip door onvoorzichtigheid van de loodgieter Hans de Schaliedekker in brand vloog.
Het stadsbestuur was van mening dat herbouw moest plaatsvinden en dat gebeurde in dezelfde stijl als het koor van de kerk dat grotendeels gespaard bleef. Dat was heel bijzonder omdat in 1618 de Hollandse Renaissancestijl de Brabantse gotiek had verdrongen. En passant zorgden de Antwerpse bouwmeesters er voor, dat de daklijst van het nieuwe schip gelijk werd getrokken met die van het koor. Een kerktoren was er niet en kwam er niet, omdat Goesenaren daar vroeger problemen mee hadden gehad. Het werd een dakruiter op het kruispunt van transepten en koor. De herbouw was in 1621 klaar. Het nieuwe schip is nimmer voor de eredienst gebruikt. Wel voor andere doeleinden, zoals begraafplaats, brandweerkazerne en kolenopslag van de diaconie. In februari 1953 deed de wandelkerk dienst als chapelle ardante voor overleden rampslachtoffers.

Transepten
Middeleeuwse kerken zijn jaren, vaak eeuwen, in ontwikkeling. Rond 1500 begint de bouw van een noord- en zuidtransept. Een aantal huizen in de Korte Kerkstraat moeten hiervoor het veld ruimen, en paadjes over het kerkhof worden verlegd. Met de toevoeging van de transepten krijgt de kerk een kruisvorm. In het hart komen vier zware pilaren te staan, de ‘viering’, waarop Mechelse timmerlieden een toren bouwen.
De transepten en het schip ontwikkelen zich na de herbouw van 1619 tot wandelkerk. Men wandelt hier en bewondert de prachtige kerk, de vele grafzerken, of maakt gebruik van de open deuren aan de noord- en zuidzijde om de snelste weg van de Kreukelmarkt naar de Korte Kerkstraat te pakken. Tussen het schip en de transepten komt een houten hek. Het koor wordt afgesloten met een stenen muur die tot aan het plafond reikt. Een deur geeft toegang tot het preekgedeelte.
Uiteindelijk worden de muur en de deur afgebroken. Tijdens de renovatie van de jaren 1920 laat de architect de koormuur vermaken tot een ingangspartij die aan de binnenzijde van de westgevel komt te staan. Ook de deur wordt hergebruikt. In de jaren daarna gebruiken de kerkgangers de transepten als zitplaats.
In het noordtransept is nog een van de weinige sporen van het katholieke verleden van de kerk te vinden: de St. Gregoriusmis. Tijdens de beeldenstorm blijft deze niet geheel ongeschonden. Hij verdwijnt achter een muur, om vervolgens tijdens de renovatie van 1920 weer tevoorschijn te komen.



Links: De preekstoel en zitplaatsen voor kerkgangers. Het schip is afgezonderd met gordijnen.
Rechts: Kerkbanken in het noord- en zuidtransept.
Beide foto’s zijn gemaakt in 1971 door Gerard Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Documentnummer 136.421 en 136.422.
Het koor
Het eerste koor van de kerk dateert uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Daar is niets meer van over. Het stadsbestuur besloot op 9 maart 1455 een nieuw koor te bouwen ‘mit drie upgaende gevelen in alre manieren als binnen der stede van der Goude an der prochiekerken staet’. De gedachte dat men het koor van Gouda in Goes zou nabouwen klopt niet. De kerk van Gouda was in die tijd afgebrand en moest herbouwd worden. In Goes zal men dankbaar gebruik hebben gemaakt van de Goudse plannen tot herbouw, maar de Goese bestuurders konden niet het gehele plan overnemen. In Gouda ging het om een hallenkoor. Ruimtegebrek speelde in Goes een belangrijke rol. Het werd een basilicaal koor waarbij ook de gebruikelijke koorafsluiting niet kon worden aangebracht. Het werden drie ondiepe en even brede absiden.
De preekstoel
In 1594 plaatste een Goese schrijnwerker de preekstoel in de kerk. Hij kwam te hangen aan een pilaar in het koor. Het bewijs daarvoor is er nog steeds. De kansel zelf is bij de restauratie van 1930 verplaatst naar het zuidertransept en staat daar nu nog.
In 1734 vielen twee heiligendagen, St. Jan Baptistendag en Sacramentsdag, op dezelfde dag plaats: 24 juni. Twee heiligendagen op dezelfde dag? Dat zou grote problemen opleveren, aldus de gedachtegang in heel toenmalig Europa. In Goes ging het gerucht dat de katholieken ter plaatse het bestuur van de stad zouden overnemen. In het graf van een katholieke inwoonster uit de familie Eversdijk zou kort daarvoor een lading buskruit verborgen zijn die op de bewuste dag tot ontploffing zou worden gebracht. Op last van het stadsbestuur opende enkele moedige Goesenaren het graf, maar van buskruit was geen sprake.
Het was wel bijzonder dat een katholieke familie een graf onder de preekstoel bezat. In de Nederlanden was het de gewoonte dat predikanten onder de preekstoel werden begraven. Zij konden dan na de wederopstanding onmiddellijk beginnen met preken.
De vloeren
Rondom de kerk was de begraafplaats van Goes, bestemd voor de gewone man en vrouw. In het kerkgebouw lagen met name de beter gesitueerden. Daarvoor werden schip, koor en transepten gebruikt. Meer dan 140 grafzerken liggen er in de kerk. De oudste is van de vrouw van Pieter Claissoon uit 1425. Tijdens de restauratie van de kerk aan het begin van de 21e eeuw vond met in het zuidertransept het grafzerkje van Maria Coomans, ambachtsvrouwe van Wemeldinge, die eind 18e eeuw overleed. Zij schonk haar uitgebreide bezit aan de kerk van Wemeldinge, onder voorwaarde dat er daar in de kerk nooit een orgel zou komen.
De begraafplaats rondom de kerk werd in 1829 gesloten, nadat men al jaren daarvoor had gesteggeld over een nieuwe. In 1827 verbood koning Willem I bij wet om nog langer in stedelijk gebied te begraven en begraafplaatsen aan te leggen. De begraafplaats aan de Zaagmolenstraat is sinds 1829 in gebruik.
Een deel van de dodenakker rondom de kerk stond bekend als Britsen of Engels kerkhof. Een tijdje dacht men dat hier Engelse soldaten lagen begraven die in 1809 omkwamen tijdens een poging om Zeeland te bezetten, maar de naam komt in 1723 al in de archieven voor.
In de kerk hebben vele rouwborden gehangen, die allemaal uit de kerk zijn verwijderd in 1795 ter gelegenheid van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. In dat jaar zijn om dezelfde redenen ook de afbeeldingen van familiewapens op de grafzerken gekapt.
Er liggen in de kerk ook enkele herdenkingsstenen waaronder niet begraven is, zoals de steen voor Jacob Valcke, die jarenlang “ambassadeur” aan het Engelse hof was en voor de Vlissinger Frans Naerebout, die zijn laatste jaren sleet als kustlichtwachter in de Oost-Bevelandpolder in de omgeving van het Goese Sas. Er is in de loop der jaren veelvuldig met de grafstenen heen en weer gesjouwd. Velen ervan liggen niet meer op hun oorspronkelijke plaats.


De orgels
n 1440 kwam het tot instelling van het Instituut der Zeven Getijden in de Goese Kerk. Op zeven vaste tijdstippen zongen geestelijken de psalmen van elke dag. In 1469 benoemde het stadsbestuur een organist, meester Zybrant. Er was toen dus een orgel, een zogenaamd blokwerk. Dat bleef in ieder geval tot 1550 in gebruik. In dat jaar werd een nieuw instrument in de kerk gebouwd door de orgelbouwer Niehoff. Waar het blokwerk heeft gestaan is niet bekend, maar het moet in het koor hebben gestaan. Het nieuwe orgel hing in de hoek van het koor en het noordertransept, een gebruikelijke plaats. In de Laurenskerken van Rotterdam en Alkmaar is op die plaats tot op de dag van vandaag een orgel aanwezig. Beide Goese orgels gingen bij de kerkbrand van 1618 verloren.
In 1643 werd er een nieuw in gebruik genomen, gebouwd door de Engelsman Deakens. Oorspronkelijk stond het direct achter de muur tussen transept en koor, maar in 1711 werd het verplaatst naar de middelste absis, waar het nu nog staat. Van het oorspronkelijke instrument is vrijwel niets bewaard gebleven. Begin twintigste eeuw bouwde men een pneumatisch instrument dat in de jaren zestig compleet versleten was. De Deense orgelbouwer Marcussen kreeg opdracht om een nieuw instrument te bouwen, gedeeltelijk betaald door de gemeente Goes. Het werd in 1970 in gebruik genomen.

Kunst in de kerk
Meest in het oog springend zijn de luiken van het orgel. Die stammen uit 1711 en zijn vervaardigd door de Middelburgse schilder Bisschop. Het zijn vaak allegorische schilderingen. Boven het orgel de zogenaamde Turkse Kap, die ervoor moest zorgen dat er geen stof in het orgel kwam. Een andere functie was het verspreiden van het geluid van het orgel de kerk in.
In de linker- en rechterabsis zijn glas-in-loodramen, vervaardigd in 1930 door de Arnhemse kunstenaar Schilling. In de ramen is weergegeven om welke voorstellingen het gaat.
Voor 1578 telde de kerk vele schilderingen van heiligen, bijvoorbeeld op de pilaren. Calvinisten hadden daar niets mee, zodat de schilderingen onder de witkalk verdwenen. Toen bij de restauratie van 1930 alle witkalk van de pilaren werd verwijderd, verdwenen ook de resten van de schilderingen. Op de plaatsen waar de gilden hun altaren hadden, zijn ook muurschilderingen geweest, zoals in het noordtransept, waarvoor het schippersgilde ter hoogte van het altaar van het gilde had gezorgd.
De preekstoel stamt uit 1594. Daaraan is een koperen doopvont bevestigd. De lezenaar is afkomstig uit de Franse kerk en is gegoten door de Rotterdammer Johannes Specht. De Goese burgemeester Isebree was de schenker aan de Franse of Waalse Gemeente van Goes.
De herenbank dateert van 1654 en is gemaakt door Pieter Barentss en Jasper Fonteyne, twee schrijnwerkers uit Goes. De zitplaatsen waren bestemd voor de Goese bestuurders. In de consistorie bevinden zich tevens twee kunstwerken van de Goese houtsnijder Johan Melse, namelijk het offerblok en de doopvont.
In het zuidertransept is een tentoonstelling aangebracht over de missalen, die na de reformatie van 1578 bewaard zijn gebleven. De geschiedenis van deze kunstige zangboeken is nog niet geheel ontrafeld. Ervan uitgaande dat het stadsbestuur tot 1795 zorgde voor de materiële gang van zaken in de kerk zijn ze altijd eigendom van de stad geweest. We nemen aan dat ze na de Reformatie jarenlang in het Stadhuis aan de Grote Markt zijn bewaard. Een van de missalen is vrijwel zeker afkomstig uit het Kruisbroedersklooster. Wellicht heeft de laatste abt zijn missaal ingeleverd bij de stad, toen hij in het huwelijk trad met de abdis van het klooster van de Zwarte Zusters. Het kersverse echtpaar werd belast met het beheer van het gasthuis.
Sinds de jaren van archivaris Abelmann circuleerden de missalen tussen gemeentearchief en museum. Zijn opvolger Barth bepaalde echter nadien dat de missalen blijvend in het gemeentearchief een plaats kregen.