Grote of Maria Magdalenakerk

De Grote kerk, gewijd aan de heilige Maria Magdalena, onderging vele uitbreidingen, brandde in 1618 grotendeels af, maar verrees daarna weer in volle glorie. Tegenwoordig is het een van de belangrijkste monumenten van Goes welke een centrale rol speelt in het culturele leven in de stad.

Grotekerk-Goes(44van46)

Begin

Rond 1150 verandert het Zeeuwse landschap ingrijpend. Op Zuid-Beveland worden grote gebieden bedijkt en ontstaat een netwerk van parochies, waaronder die van Goes, Kloetinge en Wissekerke. Deze parochies (kerkgemeenschappen) liggen op het grondgebied van de oude Noordmonsterparochie. In het hart van Goes, bij de kreek, groeit al een dorpskerk, een zaalkerkje van zo’n 10 bij 25 meter. Deze kerk is nog katholiek, met een hoofdaltaar gewijd aan de Maagd Maria en Maria Magdalena. Hoewel we weinig weten over de bouwstijl of materialen, is het duidelijk dat kerken op Zuid-Beveland in deze tijd nog geen torens hebben. Rond de kerk ligt een kerkring, ongeveer 70 tot 80 meter in diameter, waar het kerkhof zich bevindt. Langzaam groeit er rondom een weg, en bouwen de dorpsbewoners hun huizen.

De Grote Kerk, gewijd aan Maria Magdalena, vormt een bijzonder symbool voor Goes. Wanneer de kerk precies haar naam krijgt is onbekend, maar de keuze voor Maria Magdalena is opvallend. Terwijl de meeste kerken op Zuid-Beveland een mannelijke heilige als patroon hebben, is Maria Magdalena hier de uitverkorene. Bijna alle middeleeuwse kerkgebouwen op Zuid-Beveland hebben een mannelijke heilige als patroon, zoals Sint Nicolaas.

De twee grote eikenhouten deuren waardoor je de kerk binnenstapt ogen niet meteen monumentaal. Ga je naar binnen, dan vraag je je af waar je bent beland. Een donkere ruimte, met drie deuren en enkele raampjes waardoor niet al te veel licht binnenvalt. Maar zodra je een van de deuren opent, ontvouwt zich een adembenemende ruimte. Een zee van ruimte biedt zich aan en die is het mooist wanneer de zon naar binnen schijnt. In de verte glorieert het orgel, een instrument dat in de top tien van Nederland staat.

 

De Grote of Maria Magdalenakerk, ca. 1670

 

Interieur Grote Kerk

Interieur van de Grote of Maria Magdalenakerk, ca. 1780

Het koor

In de tweede helft van de dertiende eeuw komt Goes in handen van de grote heren Van Borsele, die zorgen voor de eerste uitbreiding van het oorspronkelijke zaalkerkje. Het koor wordt breder dan de originele kerk, maar heeft nog niet de grootte en de vorm die we nu kennen. Noordelijk hiervan komt een Onze Lieve Vrouwe-kapel.

In 1455 besluit de stad dat het tijd is voor een nieuw koor, dat groter en indrukwekkender oogt. Het nieuwe koor krijgt aan de oostzijde drie koorsluitingen. De noordelijke koorsluiting wordt omgebouwd tot de vernieuwde Onze Lieve Vrouwe-kapel. Aan de zuidzijde komt vermoedelijk een heiligdom voor Maria Magdalena, de stadspatrones, die ook wordt vereerd door de rederijkers. De rederijkerskamers waren tot het midden van de zestiende eeuw elitaire gezelschappen die zich bezighielden met literatuur, toneel en poëzie.

Centraal in het koor, tussen de twee binnenste rijen pilaren, prijkt het hoogaltaar. Rondom het altaar staan diverse heilige objecten, zoals lessenaars voor het evangelie en het epistel, een sacramentstoren (een groot en vrijstaand tabernakel, een bewaarplaats voor hostie), een sacramentsaltaar en een zetel voor de pastoor. De nissen aan de noord- en zuidzijde van het koor, de zogenaamde transen, bieden ruimte voor meerdere altaren en kapellen, gewijd aan de ambachtsgilden van de stad.

Orgel met Turkse kap in 1972. Vervaardiger Gerard Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Documentnummer 150.645

Transepten

Middeleeuwse kerken zijn jaren, vaak eeuwen, in ontwikkeling. Rond 1500 begint de bouw van een noord- en zuidtransept. Een aantal huizen in de Korte Kerkstraat moeten hiervoor het veld ruimen, en paadjes over het kerkhof worden verlegd. Met de toevoeging van de transepten krijgt de kerk een kruisvorm. In het hart komen vier zware pilaren te staan, de ‘viering’, waarop Mechelse timmerlieden een toren bouwen.

De transepten en het schip ontwikkelen zich na de herbouw van 1619 tot wandelkerk. Men wandelt hier en bewondert de prachtige kerk, de vele grafzerken, of maakt gebruik van de open deuren aan de noord- en zuidzijde om de snelste weg van de Kreukelmarkt naar de Korte Kerkstraat te pakken. Tussen het schip en de transepten komt een houten hek. Het koor wordt afgesloten met een stenen muur die tot aan het plafond reikt. Een deur geeft toegang tot het preekgedeelte.

Uiteindelijk worden de muur en de deur afgebroken. Tijdens de renovatie van de jaren 1920 laat de architect de koormuur vermaken tot een ingangspartij die aan de binnenzijde van de westgevel komt te staan, waarin ook de oude deur een plek krijgt. In de jaren daarna gebruiken de kerkgangers de transepten als zitplaats.

In het noordtransept is nog een van de weinige sporen van het katholieke verleden van de kerk te vinden: de St. Gregoriusmis. Tijdens de beeldenstorm blijft deze niet geheel ongeschonden. Hij verdwijnt achter een muur, om vervolgens tijdens de renovatie van 1920 weer tevoorschijn te komen.

Zuidtransept buitenkant. Twee mannen staan voor de deur.
Zuidtransept van de Grote Kerk

Links: De preekstoel en zitplaatsen voor kerkgangers. Het schip is afgezonderd met gordijnen.
Rechts: Kerkbanken in het noord- en zuidtransept.
Beide foto’s zijn gemaakt in 1971 door Gerard Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Documentnummer 136.421 en 136.422.

Het schip

In 1618 werken schaliedekkers aan het dak van de kerk. Na hun werkzaamheden komt een groep loodgieters langs om de dakranden af te werken met lood. Maar op 11 september gaat het mis: loodgieter Hans laat zijn vuurpannetje onbeheerd achter, en binnen de kortste keren staat het dak in brand. Terwijl de transepten en het koor het vuur het grotendeels overleven dankzij de gewelven, is het schip een ander verhaal. Door het houten plafond brandt het volledig uit. De vieringtoren stort in, pilaren en muren raken zwaar beschadigd, en talloze grafzerken in het schip barsten en verdwijnen voorgoed.

Toch wordt de kerk weer in volle glorie hersteld. Het herstel gebeurt in dezelfde stijl als de delen die de brand overleefden, wat bijzonder is, want tegen die tijd had de Hollandse Renaissance de Brabantse gotiek al vervangen. Begin 1619 legt het zoontje van een burgemeester de eerste steen voor het nieuwe schip. Tussen de eerste twee steunberen, westelijk van het noordtransept, stopt het ventje negen gouden Albertijnen (munten) weg als bouwoffer, een symbolisch gebaar voor geluk. Antwerpse bouwlieden gaan aan de slag en bouwen het schip hoger en langer dan voorheen. In plaats van de oorspronkelijke vieringtoren wordt er een dakruiter geplaatst op het kruispunt van de transepten en het koor. De herbouw is in 1621 voltooid.

Het nieuwe schip is nooit voor erediensten gebruikt. In plaats daarvan maakt het deel uit van de ‘wandelkerk’, net zoals de transepten. Het schip krijgt ook andere functies: het dient als begraafplaats, brandweerkazerne en zelfs als kolenopslag voor de diaconie. In februari 1953 krijgt het schip een heel andere betekenis, wanneer het als ‘chapelle ardante’ dient voor de overleden slachtoffers van de watersnoodramp.

De noordzijde van het schip in 1930, met opslagplaatsen tegen de muur en een gewichtskast tegen de westzijde. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Documentnummer 13.960a

De Preekstoel

In 1594 plaatst een Goese schrijnwerker de preekstoel in de kerk. Hij komt te hangen aan een pilaar in het koor. De kansel zelf wordt bij de restauratie van 1930 verplaatst naar het zuidertransept en staat daar nu nog.

In 1734 vallen twee heiligendagen, St. Jan Baptistendag en Sacramentsdag, op dezelfde dag plaats: 24 juni. Twee heiligendagen op dezelfde dag? Dat zal grote problemen opleveren, aldus de gedachtegang in heel toenmalig Europa. In Goes gaat het gerucht dat de katholieken ter plaatse het bestuur van de stad zullen overnemen. In het graf van een katholieke inwoonster uit de familie Eversdijk zou een lading buskruit verborgen zijn die op de bewuste dag tot ontploffing zal worden gebracht. Op last van het stadsbestuur openen enkele moedige Goesenaren het graf, maar van buskruit blijkt geen sprake.

Het is wel bijzonder dat een katholieke familie een graf onder de preekstoel bezat. In de Nederlanden ishet de gewoonte dat predikanten onder de preekstoel worden begraven. Zij kunnen dan na de wederopstanding onmiddellijk beginnen met preken.

Aan de preekstoel is een koperen doopvont bevestigd. De lezenaar is afkomstig uit de Franse kerk en is gegoten door de Rotterdammer Johannes Specht. De Goese burgemeester Isebree is de schenker aan de Franse of Waalse Gemeente van Goes.

Preekstoel op de locatie waar deze tussen 1594-1930 te vinden was.
Preekstoel op de locatie waar deze tussen 1594-1930 te vinden was. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Documentnummer 14.909

Het koor voor de restauratie van 1930, met rechts de preekstoel.

Begraafplaats

Rondom de kerk ligt de begraafplaats van Goes, bestemd voor de gewone man en vrouw. In het schip, koor en in de transepten van het kerkgebouw liggen met name de beter gesitueerden. In de kerk liggen meer dan 140 grafzerken. De oudste is van de vrouw van Pieter Claissoon uit 1425. Tijdens de restauratie van de kerk aan het begin van de 21e eeuw vinden bouwlieden in het zuidertransept het grafzerkje van Maria Coomans, ambachtsvrouwe van Wemeldinge, die eind 18e eeuw overlijdt. Zij schonk haar uitgebreide bezit aan de kerk van Wemeldinge, onder voorwaarde dat er daar in de kerk nooit een orgel zou komen.

De begraafplaats rondom de kerk sluit in 1829, nadat men al jaren steggelt over een nieuwe. Een nieuwe wet lost het dilemma op: in 1827 verbiedt koning Willem I bij wet om nog langer in stedelijk gebied te begraven en begraafplaatsen aan te leggen. De Algemene Begraafplaats aan het Geldeloozepad, dan nog gelegen buiten bewoond gebied, wordt in 1829 in gebruik genomen.

Een deel van de dodenakker rondom de kerk staat bekend als Brits of Engels kerkhof. Een tijdje dacht men dat hier Engelse soldaten lagen begraven die in 1809 omkwamen tijdens een poging om Zeeland te bezetten, maar de naam komt in 1723 al in de archieven voor.

In de kerk hebben vele rouwborden gehangen, die allemaal uit de kerk zijn verwijderd in 1795 onder het mom van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. In dat jaar zijn om dezelfde redenen ook de afbeeldingen van familiewapens op de grafzerken gekapt.

Er liggen in de kerk ook enkele herdenkingsstenen waaronder niet begraven is, zoals de steen voor Jacob Valcke, die jarenlang “ambassadeur” aan het Engelse hof was en voor de Vlissinger Frans Naerebout, die zijn laatste jaren sleet als kustlichtwachter in de Oost-Bevelandpolder in de omgeving van het Goese Sas. Er is in de loop der jaren veelvuldig met de grafstenen heen en weer gesjouwd. Velen ervan liggen niet meer op hun oorspronkelijke plaats.

Gedeelte kerkhof
Een gedeelte van het voormalige kerkhof. Rechts is de poort van het weeshuis (nu museum) zichtbaar. De Singelstaat was toen nog een stuk smaller.
Zuid kerkhof
Een gedeelte van het kerkhof bij de Korte Kerkstraat. Achter het hekwerk van de Grote of Maria Magdalenakerk is de pastorie van de katholieke kerk zichtbaar.

De orgels

In 1440 werd het Instituut der Zeven Getijden in de Goese Kerk ingesteld door Wolfert van Maalstede (baljuw), samen met de schepenen en burgemeesters (destijds waren dat er twee). Op zeven vaste tijdstippen zongen geestelijken de psalmen van elke dag. In 1469 benoemde het stadsbestuur een organist, meester Zybrant. Dit orgel, een zogenoemd blokwerk, bleef in gebruik tot 1550. Dat jaar bouweden vader en zoon Niehoff een nieuw orgel in de kerk. Waar het blokwerk heeft gestaan is niet bekend, maar het moet in het koor hebben gestaan. Het nieuwe orgel hing in de hoek van het koor en het noordertransept, een gebruikelijke plaats. In de Laurenskerken van Rotterdam en Alkmaar is op die plaats tot op de dag van vandaag een orgel aanwezig. Beide Goese orgels gingen bij de kerkbrand van 1618 verloren.

In 1643 werd er een nieuw in gebruik genomen, gebouwd door de Engelsman Deakens. Oorspronkelijk stond het direct achter de muur tussen transept en koor, maar in 1711 werd het verplaatst naar de middelste absis, waar het nu nog staat. Van het oorspronkelijke instrument is vrijwel niets bewaard gebleven. Begin twintigste eeuw bouwde men een pneumatisch instrument dat in de jaren zestig compleet versleten was. De Deense orgelbouwer Marcussen kreeg opdracht om een nieuw instrument te bouwen, gedeeltelijk betaald door de gemeente Goes. Het werd in 1970 in gebruik genomen.

Orgel met Turkse Kap
Orgel met Turkse Kap. Foto door Marieke Lodder

Kunst in de kerk

Meest in het oog springend zijn de luiken van het orgel. Die stammen uit 1711 en zijn vervaardigd door de Middelburgse schilder Bisschop. Het zijn vaak allegorische schilderingen. Boven het orgel hangt de zogenaamde Turkse Kap. Naast het verspreiden van het geluid moet de kap ervoor zorgen dat er geen stof in het orgel komt.

In de linker- en rechterabsis van het koor zijn glas-in-loodramen, vervaardigd in 1929 en 1930 door de Arnhemse kunstenaar Schilling. Het raam vervaardigd in 1929 is gebaseerd op Psalm 23. Het raam uit 1930 is gebaseerd op het evangelie, met figuurgroepen rond het kruis.

Voor 1578 telde de kerk vele schilderingen van heiligen, bijvoorbeeld op de pilaren. Calvinisten hadden daar niets mee, waardoor de schilderingen onder de witkalk verdwenen. Toen bij de restauratie van 1930 alle witkalk van de pilaren werd verwijderd, verdwenen ook de resten van de schilderingen. Op de plaatsen waar de gilden hun altaren hadden, zijn ook muurschilderingen geweest, zoals in het noordtransept, waarvoor het schippersgilde ter hoogte van het altaar van het gilde had gezorgd.

In het zuidertransept is een tentoonstelling aangebracht over de missalen, die na de reformatie van 1578 bewaard zijn gebleven. Ervan uitgaande dat het stadsbestuur tot 1795 zorgde voor de materiële gang van zaken in de kerk zijn ze altijd eigendom van de stad geweest. We nemen aan dat ze na de Reformatie jarenlang in het Stadhuis aan de Grote Markt zijn bewaard. Een van de missalen is vrijwel zeker afkomstig uit het Kruisbroedersklooster. Wellicht heeft de laatste abt zijn missaal ingeleverd bij de stad, toen hij in het huwelijk trad met de abdis van het klooster van de Zwarte Zusters. Het kersverse echtpaar werd belast met het beheer van het gasthuis. Sinds de jaren van archivaris Abelmann circuleerden de missalen tussen gemeentearchief en museum. Zijn opvolger Barth bepaalde echter nadien dat de missalen blijvend in het gemeentearchief een plaats kregen.

De herenbank dateert van 1654 en is gemaakt door Pieter Barentss en Jasper Fonteyne, twee schrijnwerkers uit Goes. De zitplaatsen waren bestemd voor de Goese bestuurders. Ook zijn er twee kunstwerken van de Goese houtsnijder Johan Melse te vinden in de kerk, namelijk het offerblok en de doopvont.

Meer informatie