’t Soepuus
’t Soepuus aan de Kleine Kade 43 begon als getijwaterkorenmolen. Na de stichting van de Wilhelminapolder was spijskokerij, en nu gebruikt de Sociëteit Van Ongenuchten Vrij het pand.
Op Goese Grond
Bekijk hieronder de video waarin Gerard Heerebout je meeneemt door de huidige Sociëteit ‘Van Ongenuchten Vrij’. Scrol verder om meer te lezen over de historie en het gebruik van dit unieke gebouw.
Getijdemolen
Al in 1484 staat er op Kleine Kade 43 een getijdemolen. Maar wanneer de grote stadsbrand van 1554 een kwart van de stad verwoest, moet ook de molen opnieuw opgebouwd worden.
Deze molen werkt op de waterkracht van het Oosterscheldewater dat door sluisjes bij hoogtij naar de Achterhaven stroomt, en bij laagtij weer terug de stadshaven instroomt. Er is dus voldoende beweging nodig in het water om de molen te laten werken.
Na verloop van tijd krijgt de molen de bijnaam ‘de luie elf’, en dat heeft een goede reden. Bij springtij en doodtij valt laagwater in het Goese Sas namelijk omstreeks 11 uur ’s ochtends en 11 uur ’s avonds. Omdat het opzetten van de vloed hierbij lang duurt, moet er ook lang gewacht worden voordat de schippers kunnen doorvaren naar de haven. Het verhaal gaat dat de schippers daarom om 11 uur hun glas heften, om zo de tijd te verdrijven tijdens het wachten. Omdat de watermolen afhankelijk was van de wisseling van de waterstand, kon ook de getijmolen korter draaien in deze periodes.
In 1641 wordt het pand flink verbouwd en uitgebreid. Een pilastergevel komt er ten tijde van een verbouwing een eeuw later bij. Ook de dakruiter en het klokje staan van origine niet op het molenhuis, maar komen van de Oude Havenpoort ten westen van de Sint Maartensbrug. Deze poort dateert van 1624, en bij de sloop in 1855 komen deze elementen op de Kleine Kade 43 te staan.

Achterhaven
Rond 1800 zorgt het dichtslibben van het Goese Diep ervoor dat de getijdebeweging vermindert, waardoor de molen steeds minder oplevert. Over een periode van enkele jaren doet men pogingen om de haven weer uit de diepen, maar de aanleg van de Lodewijkspolder (tegenwoordig de Wilhelminapolder) in 1809 zorgt voor de genadeslag. Er komt een schutsluis bij het Goese Sas, waardoor de molen volledig buiten bedrijf raakt. In 1810 sloopt men het oude molenwerk in het pand. Bij molen De Koornbloem bouwt Pieter Remijn een rosmolen om het werk van de oude getijdemolen te vervangen, maar deze levert niet genoeg op.
In 1851 krijgt het oude molenhuis de functie van spijskokerij: de Commissie voor Oeconomische Spijsuitdeeling verhuist naar de Kleine Kade 43. Deze commissie is in 1816 opgestart en bestaat uit leden van het Armbestuur, de Diaconie van de Hervormde Gemeente en leden van de Goese burgerij. Bij de start van de commissie werken ze nog vanuit een lokaal in het Gasthuis aan de Oostwal. Het pand aan de kade wordt na intrede van de commissie in de volksmond ‘het Soepuus’ genoemd.

Commissie voor Oeconomische Spijsuitdeling
De armen krijgen—zoals aan de naam al af te lezen is—voornamelijk soep voorgeschoteld. Een aantal keer per week kunnen mensen langskomen voor groentesoep of snert, en ook weleens kippensoep. De snert heeft hele, ronde erwten erin. Spliterwten zijn er dan nog niet. Bij speciale gelegenheden krijgen ze een extraatje: extra soep of brood met spek, of zoals bij het 25-jarig jubileum van Wilhelmina: brood en kaas.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden ook Belgische vluchtelingen geholpen in ’t Soepuus. In het jaarverslag van 1914 staat het volgende:
Als gevolg van den oorlog in het naburige België stroomden vele Belgen naar ons land, naar deze plaats en konden de soepketels van onze instelling uitnemende diensten bewijzen voor de bereiding van de spijzen voor de arme vluchtelingen, waarvoor wij de dankbaarheid van het comité mochten verwerven.

Sociëteit ‘Van Ongenuchten Vrij’
Sinds 1991 is het pand in gebruik van de Sociëteit ‘Van Ongenuchten Vrij’, een voortzetting van de voormalige schutterij van de Edele Voet- of Kruisboog van het Sint Jorisgilde. Dit gilde was een van de drie wapengilden (of schutterijen) in Goes. Van oudsher werden deze schutterijen ingezet om oorlog te voeren namens de landsheer. Een schutterij vergrootte de macht van een stad, en vormden ook een machtsfactor bínnen de stad. In Goes bepaalde het bestuur daarom al snel dat iemand die een ambt wilde bekleden in het stadsbestuur, ook schutter moest zijn. Van de drie wapengilden of schutterijen die Goes had, was het St. Jorisgilde de belangrijkste omdat een kruisboog kostbaarder was dan, bijvoorbeeld, een handboog.
Er kwam steeds meer verzet tegen de invloed die de schutterijen uitoefenden. Met de komst van de Fransen leidde dit in 1798 uiteindelijk tot de opheffing van de schutterijen in Goes. In eerste instantie kon het gilde nog even blijven bestaan, maar in 1806 kwam er een definitief einde aan de schutterij, en werd deze omgezet in een sociëteit tot vermaak. Wat betreft de naam: deze komt van de wapenspreuk van de oorspronkelijke gilde.
